Aantekening uit mijn jeugd: vijf minuten angst
Verboden water. Voorzichtige karpers. En vijf minuten die alles veranderen.
Het volgende water dat ik uitkoos, was anders dan Blata en andere wateren. Het behoorde niet toe aan de hengelsportvereniging, maar aan een ontginningsbedrijf. Je mocht er niet vissen, omdat het een afgravingswater was waar zand werd gewonnen. Het water ligt tegenover de zandafgraving Gigant, waar ik mijn papieren kwijtraakte.
In het begin liep ik er alleen omheen en probeerde ik meer details te achterhalen. Ik ging in het riet zitten en keek lange tijd naar het water. Er was er nooit uitgezet. Slechts een paar karpers waren in het verleden geruild voor zand. Juist daardoor kon het des te interessanter zijn, dacht ik. Mijn volgende tocht bracht ik door in het westelijke deel van het meer, onder het bos. Ik ging in het riet zitten en keek naar het water. Dit deel van de zandafgraving leek me het levendigst. Ik keek naar het wateroppervlak en onderscheidde de vissen aan hun sprongen. De meeste vissen die zich lieten zien, waren grote brasems. Hun formaat was abnormaal. Naar mijn eigen schatting rond de 60 cm. Ik zag maar één karper. Die sprong op ongeveer 150 m van de oever. Ik hield het wateroppervlak vooral verder van de oever in de gaten. Daarom was ik verrast toen ik achter het riet bij de oever een schaduw zag. Het was een prachtige schubloze karper. Hij zwom langs me heen en dankzij hem zag ik een kleine geul in de bodem. Die ondiepe geul liep vlak achter het riet door het zand. Een duidelijk karperpaadje. Ik haalde een paar bolletjes uit mijn zak en gooide ze precies daarheen. Mijn ogen begonnen te glanzen toen er nog meer vissen opdoken. Het waren er meerdere. Eerst kwam er een school brasems aan. Ze begonnen de bolletjes aan te vallen. Dat duurde echter niet lang. Ze werden verjaagd door grote karpers. Zo enorm waren ze nu ook weer niet, maar het waren stuk voor stuk prachtige vissen en wat bijzonder was: het waren allemaal schubloze karpers. Ze namen mijn bolletjes met enorm veel vertrouwen op, hoewel ik zeker weet dat ze die misschien voor het eerst in hun leven zagen. Met hun keeltanden kraakten ze ze fijn, terwijl stukjes boilie uit hun kieuwspleet vlogen. Een ongelooflijk schouwspel…
Later kwam er nog een karper aanzwemmen. Het was een schubkarper en hij was van allemaal de grootste. Ik dacht na over zijn gewicht, misschien woog hij 15 kilo. De karpers hadden zich volgegeten en trokken via hun paadje langs de oever verder. Voor mij was toen al duidelijk waar ik zou gaan vissen. Misschien had ik de karpers beter helemaal niet kunnen zien. Vissen in een bewaakt mijngebied vroeg weer om ellende. Nu maakte het toch niet meer uit en ik weet niet eens waarom ik daarover nadacht, terwijl ik diep vanbinnen allang wist waar ik de volgende nacht zou gaan vissen. Ik keek op mijn horloge. De tijd had snelle benen. De trein naar Pardubice was al vertrokken. Dus ging ik door het bos. Richting de dichtstbijzijnde weg, liftend, en nadenkend over de karpers.
Toen ik de volgende dag uit de trein stapte, motregende het zachtjes. Ik ging het bos in en probeerde rechtstreeks naar de zandafgraving te lopen. Op mijn rug had ik een rugzak en in mijn handen een oude hengel. Ik nam bewust niet meer spullen mee, voor het geval de bewaker die het water bewaakte langs zou komen. Hij zou mijn spullen kunnen afpakken. Ik had alleen het hoogstnodige bij me, maar toch woog de rugzak zwaar. Ik kwam uit het bos en keek naar het hok van de bewaker. Waarschijnlijk zat hij binnen. In het raampje was het tv-journaal te zien.
Ik liep langs de rand van het bos, vlak ernaast, en ging op weg naar mijn plekje. Overal stonden veel braamstruiken en hoog gras. Met moeite baande ik me een weg naar het water. Ik zette mijn rugzak op de grond en veegde het zweet van mijn voorhoofd. Eerst begon ik met camouflageacties. Met een schaar knipte ik tussen de dichte, hoge braamstruiken een schuilplek uit. Dat lukte me echt goed. Het was een soort tunneltje waar mijn slaapzak en rugzak in pasten, en bij de ingang stak ik ook nog de steunvorken voor mijn hengels in de grond. Het was ideaal. Niemand kon me zien. Het werd donker en ik wierp mijn hengel in het karperpaadje. Ik ging op mijn slaapzak liggen en nam een hap van een Tatranka. Ik prees mezelf om hoe mooi ik me had verstopt. Ik kon niet eens in slaap vallen. Niet dat ik zorgen of angst had, maar ik verwachtte ieder moment een beet. Mijn hart bonsde steeds sneller en ik was in een toestand alsof ik die karper allang aan het drillen was. De beet kwam inderdaad snel. Een snelle run en een felle uitval van de karper weg van de oever. Op zo’n korte afstand was die eerste krachtuitbarsting echt hevig. Ik drilde hem op mijn knieën. De doornen van de braamstruiken prikten in mijn knieën. Het oude hengeltje van drie meter werkte geweldig. Ik kreeg de karper snel in het schepnet. Ik moest hem onthaken. Ik wist niet waar ik hem neer moest leggen zodat hij zich niet zou verwonden. Zacht gras was in geen velden of wegen te bekennen, dus mijn slaapzak moest het ontgelden. Een prachtige spiegelkarper. Zo donker. Hij mat 78 cm. Ik had een fototoestel bij me, maar ik wist niet hoe ik met de zelfontspanner moest fotograferen, laat staan ’s nachts. Dus zette ik de karper terug in het water en was ik ontzettend blij met hem. Ik wierp mijn hengel opnieuw in en kroop in mijn slaapzak om warm te worden. De slaapzak was nat van de karper, dus erg warm kreeg ik het niet. Tot de ochtend stond ik te rillen van de kou. Vijf uur ’s ochtends naderde en een volgende beet kwam niet. Het was echter wel de hoogste tijd om terug naar huis te gaan. Mijn trein vertrok om 5.37 uur.
Ik kwam uit het bos tevoorschijn bij het treinstation. De trein was er nog niet. Er stonden een paar mensen die voor hun werk naar Pardubice gingen. Ze keken naar dat smoezelige, doorweekte jochie dat uit het bos kwam alsof hun ogen bijna uit hun kassen vielen. Toen ik naar mijn natte broekspijpen en modderige jas keek, schaamde ik me zelf ook een beetje. Des te erger werd het toen ik de trein instapte. Die zat vol jonge mensen, vooral meisjes van mijn leeftijd. Ik wrong me tussen hen door met een enorme rugzak waar mijn naar vis stinkende slaapzak uit stak. Ik zocht een zitplaats. De meisjes lachten me uit en knepen hun neus dicht. Maar toen kreeg ook ik ineens een onaangename geur in mijn neus. Ik wist meteen dat mijn flesje essence was opengegaan. Het was genant. Ik bleef liever bij het toilet staan en trok mijn pet nog wat verder over mijn ogen.
Tijdens de volgende tocht had ik het beter bedacht. Ik liet mijn spullen ingepakt in een zak tussen de braamstruiken liggen. Daar zou toch niemand ze vinden. Dat was een geweldig idee en zo reisde ik een stuk makkelijker naar huis. De aanbeten kwamen regelmatig om twee uur ’s nachts. Dat was precies het tijdstip waarop de karpers op mijn stek halt hielden. Er beet één karper en de andere zwommen verder. Ik had nooit meerdere aanbeten achter elkaar. Een keer besloot ik dat ik ook overdag zou proberen te vissen. Dat was anders. Mooier. Ik zag mijn bolletjes in het water en ook mijn montages. Ik keek in het water en wachtte tot ze zouden komen. Het was spannender. Toen hoorde ik ineens een stem. De bewaker! Hij liep over het paadje boven mij. Ik begon ongerust te worden. Hij riep naar zijn herder en aan de geluiden te horen kwam hij steeds dichter bij me. Het werd me steeds duidelijker dat mijn laatste visdag was aangebroken. Hij bleef staan en kwam nog dichter naar me toe. Ik wilde al naar buiten komen en niet langer gek doen als een kleine jongen. Ik wist niet wat ik moest zeggen, dus kwam ik niet tevoorschijn. De bewaker baande zich een weg door de braamstruiken. Ik zag hem niet, alleen aan de geluiden schatte ik zijn afstand. Ik hoorde de hond hijgen. Hij liep met de hond heen en weer. Toen was alles me wel duidelijk. Hij heeft me gezien en nu zoekt hij me, dacht ik. Hij liep om me heen en ik begon te trillen van angst. Maar zijn voetstappen begonnen zich weer te verwijderen. Ook de hond was niet meer te horen. Dat de bewaker me niet vond, dat had ik nog kunnen begrijpen, maar de hond? Dat vond ik heel vreemd. Nog lange tijd daarna gaf ik geen kik. Uit nieuwsgierigheid kwam ik voorzichtig naar buiten. De lucht was zuiver. De braamstruiken waren platgetrapt en bij de berken zag ik afgesneden resten van berkenboleten. Ik glimlachte en was een stuk rustiger. Het had echt maar een haar gescheeld, maar gelukkig zocht hij niet naar mij. Opnieuw prees ik mijn onopvallendheid. Ik ging plassen en kroop toch maar weer terug in mijn braambunker.
De hengels bewogen niet en ik dommelde even weg. Rond het middaguur werd ik wakker en keek ik in het water. Het aas was weg. Alleen mijn bolletjes onder de haak waren gebleven. Overdag waren de karpers voorzichtiger. Het daglicht onthulde de list van mijn montage. Ik maakte nieuwe onderlijnen. In plaats van een haakmaat vier gebruikte ik een acht, en het loodje, dat misschien nog wel het meest opviel, haalde ik helemaal weg. Ik wierp dus alleen een bolletje in en strooide daarboven een handvol aas. De tijd verstreek en ik hield mijn boilie in het water nog steeds scherp in de gaten. De haak zag ik niet, en ook de onderlijn viel niet erg op. Ik had mijn montage zeker verbeterd.
Het water begon een beetje te rimpelen. De golfjes maakten het zicht voor mij moeilijker. Juist van links naderde een donkere schaduw en ik schrok me letterlijk rot. Hoe dichter de vissen kwamen, hoe opgewondener ik werd. Prachtige spiegelkarpers kwamen naar mijn bolletjes toe. Ik had mijn hand al klaar op de hengel. Ik stond bijna al op het punt aan te slaan toen een van de karpers een bolletje op een paar centimeter van het mijne opzoog. Ze cirkelden boven het voer en bliezen tegen de bolletjes, die daardoor telkens opveerden en dieper weer neerdaalden. Daar zag ik ze nog maar slecht. De karpers waren ongelooflijk slim en verwachtten waarschijnlijk een val. Waarschijnlijk wisten ze al dat op deze plek af en toe een van hun kameraden aan de haak eindigde. Vroeger gedroegen ze zich namelijk niet zo. Ze probeerden uit te vinden welk bolletje vastzat. Ze begonnen ook met het mijne te spelen, en dat terwijl ze het helemaal niet aanraakten. Met de waterstroom van hun vinnen en bek stuurden ze het bolletje dieper naar beneden. Ik zag het steeds slechter. “Pak hem nou, waar wacht je op, zuig hem op,” fluisterde ik tegen mezelf. Het gedroeg zich anders en daarom bleef het waarschijnlijk als laatste op de bodem liggen. Ik herkende zelfs twee spiegelkarpers die ik al eens had gevangen. Die aten helemaal niet mee. Juist zij vertrokken als eersten van deze plek en de rest volgde hen. Ik begon de hoop te verliezen, maar toen kwam er een oude, donkere spiegelkarper aanzwemmen. Die grote. De anderen waren nu definitief weg en hij begon de bodem om te woelen. Hij pakte de restjes boilies van zijn makkers op en kwam heel langzaam dichter bij mijn bolletje. Ik was er klaar voor. Mijn adem stokte bijna. Het was een geweldig moment. De karper zoog het bolletje op en ik sloeg aan. Met al zijn kracht schoot hij als een bliksemflits naar het open water. Mijn benen trilden. Ik knielde in het riet, waaruit alleen de kromgebogen top van de hengel stak. Ik wist dat ik de vis van mijn leven aan de hengel had. De karper vocht uit alle macht. Met mijn kleine hengeltje hield ik het wonderbaarlijk goed onder controle en de spiegelkarper verscheen aan de oppervlakte. Ik schepte het massieve lichaam in het net en legde het op mijn slaapzak. Ik was dolblij. Hij mat 88 cm. “Hoe groot is hij?” klonk het achter me. Ik schrok me wild! De bewaker stond vlakbij op het paadje en ik kneep hem enorm. Ik wist niet of ik het beter op een lopen kon zetten of me maar moest overgeven. Ik had maar een paar seconden om te beslissen. “Ik weet al lang van je, jongen. Ik viste ’s nachts ook en ik had wel doof moeten zijn om dat geplons niet te horen. Ik ga er geen western van maken. Al heb ik vaak genoeg getwijfeld of ik de politie moest bellen. Nu zie je hoe ik besloten heb. En nu je hem er toch al uit hebt gehaald, wegwezen.” Ik gehoorzaamde en begon mijn hengel op te ruimen. De bewaker ging in het gras zitten en wachtte tot ik klaar was met inpakken. Die dag ging ik met de trein naar huis en was ik blij dat alles zo was afgelopen als het was afgelopen. Eerlijk gezegd was ik ook een beetje verdrietig. Zeker weten. Ik wist dat met die dag een verhaal eindigde waarin ik veel had beleefd. Maar zoals ze zeggen: iets eindigt, zodat er iets nieuws kan beginnen.
Een maand later kwam ik nog eens terug om bij de zandafgraving te kijken. Alleen maar kijken! Ik was niets anders van plan. Ik liep over mijn oude bospaadje en kwam uit bij het water. Mijn plekje was vrijgemaakt en midden daarin zat de bewaker. Ik ging niet dichter naar het water toe. Ik wilde me de braambunker herinneren zoals ik hem de laatste keer had achtergelaten. Ik liep verder over het pad op de dijk en wist niet eens waar ik heen ging. Ik ging door nog een kort stukje bos en voor me opende zich weer een paradijs. Een groot waterreservoir – Oplatil.
Ik heb veel mooie momenten beleefd rond Pardubice. Helaas moest ik voor een tijd ook een ‘stroper’ worden. Van één ding ben ik echter absoluut zeker. Ik zou deze momenten voor niets ter wereld inruilen en ik ben blij dat niemand ze me nog kan afnemen. Ik bezocht allerlei slibplassen, verzakkingen, stortplaatsen en groeves die niet onder de hengelsportvereniging vallen. Ik ontdekte dat je ook daar prachtige vissen kunt vangen en de vreugde van een trofeevis kunt beleven. Als de visserijcontrole me toen mijn vergunning niet had afgenomen, was ik waarschijnlijk nooit op zoek gegaan naar zulke wateren. Dan had ik zeker niet zoveel spannende momenten beleefd, en wie weet of ik dan zoveel prachtige vissen had gevangen.
Volgens het visreglement ben ik waarschijnlijk geen juiste visser en op het moment dat ik deze regels schrijf, ben ik dat ook nu niet. Waarschijnlijk zal ik dat ook nooit zijn, en als een juiste visser zich alleen daardoor kenmerkt dat hij de vistijden naleeft, dan wil ik dat werkelijk niet zijn. Ik hoef niet op een bestuursvergadering te winnen met driehonderd kilo gevangen vis per jaar om de beste te zijn. Dat is niet mijn doel en ook niet het motto van een echte sportvisser. De rijkdom van de sportvisserij schuilt in heel andere waarden. Ik ben waarschijnlijk een ander mens en een andere visser. Ik ben blij dat ik ben wie ik ben en ik geloof dat ik me nooit voor mezelf zal schamen.
De beste verhalen verspreiden zich in stilte. Van water naar water. Van visser naar visser. Sluit je aan bij degenen die verder gaan.
Krijg ook verhalen en content te zien die je nergens anders zult zien.
Berichten volgen